Rebekka de Wit (1985) studeerde Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en ging theater maken, eerst bij De Tijd (later De Nwe Tijd) en sinds 2025 bij Bureau Vergezicht, een gezelschap dat producties maakt over klimaat, macht en gedeelde verantwoordelijkheid. Afgelopen seizoen speelde ze de solovoorstelling Een stukje naar de mensen toe, over consumptie en gemeenschap (of het gebrek daaraan…) - een voorstelling die komend theaterseizoen opnieuw te zien zal zijn. Ook werkt ze met Bureau Vergezicht aan een nieuwe voorstelling: Een groter verhaal. Want er moet volgens de makers een Groter Verhaal verteld worden. Daar houden wij van. Grote Verhalen. Over welk verhaal gaat het hier dan? En vraagt een Groter Verhaal ook een nieuwe taal? We spreken Rebekka als ze weer net een dag met haar collega’s heeft zitten zoeken naar de juiste woorden.
Lange dag?
‘Nou, het was weer een dag lang zoeken, ja. We proberen een verhaal te vertellen waarin we twee verhalen met elkaar verknopen: een verhaal over de klimaatcrisis en een verhaal over kolonialisme. We willen ze verknopen in een groter verhaal omdat we denken dat ze alles met elkaar te maken hebben. Het ding is alleen: die twee verhalen hebben hun eigen taal, met begrippen die van alles oproepen maar waar vervolgens lang niet iedereen het over eens is. Een van de vragen waar wij nu op stuiten, is: gaan we die begrippen gebruiken of niet? Als we ze gebruiken, roepen we onmiddellijk discussie op over wat ze betekenen. Het zijn bovendien “zware” woorden, terwijl wij juist op zoek zijn naar een lichtere manier om dit verhaal te vertellen: een manier die mensen helpt om “erbij te kunnen blijven”. Als we ze willen omzeilen, moeten we nieuwe taal zien te vinden.’
Kun je, ondanks dat je die taal nog niet hebt gevonden, toch iets vertellen over dat Grotere Verhaal?
‘In een notendop is het Grotere Verhaal dat wat we nog altijd doen met de aarde en met dieren in wezen niet anders is dan wat we eerder deden met zwarte mensen in Amerika: we eigenen ze ons toe. Het koloniseren van land, lichamen, dieren, zee - het is onderdeel van dezelfde cultuur van toe-eigening. Met het afschaffen van de slavernij in Amerika zijn we niet opgehouden met koloniseren. Dat gaat gewoon door, nu ook in de ruimte. En dat kan in ons kapitalistische systeem ook niet anders, want ‘we’ moeten blijven groeien.
Het resultaat van deze cultuur van toe-eigening is een ontwrichting van de aarde. Zolang we die samenhang niet onder ogen zien, kunnen we ook geen echte oplossingen vinden voor al die vormen van uitbuiting. In de voorstelling zoeken we naar een manier om die cultuur te bevragen. Supergrote thema’s, en als je niet uitkijkt heel abstract, zwaar en ver weg. Terwijl wij juist een dichtbije voorstelling willen maken waarin je de liefde voor het leven voelt. De schoonheid ervan. Als tegengif voor de uitbuiting van het leven.’
Hoe kom je dat verhaal en die nieuwe taal op het spoor?
‘Er is door de geschiedenis heen natuurlijk van alles over gezegd. Misschien hoeven wíj dat verhaal dus ook niet te vertellen, kunnen we daar stemmen uit het verleden voor gebruiken. Er ligt van alles op tafel. Frans de Waal ligt op tafel. Maar ook bijvoorbeeld… wist je dat heel veel dieren een “woord” hebben voor mensen? Sommige dieren kunnen ons ook heel specifiek aanduiden: “die grote”, of “die in het blauw”. Nogal treurig is dat veel van die woorden iets schijnen te betekenen als “slecht nieuws”. Je hoort ze denken: “O o, daar heb je ze weer.” Daar spreekt zoveel handelingsbekwaamheid uit! Het onderstreept hoe goed dieren ons in de smiezen hebben. Daar wil ik bijvoorbeeld een sketch over schrijven. Ik zou ons mensen graag even op onze plaats zetten én tegelijkertijd de schoonheid van die handelingsbekwaamheid laten zien.’
Handelingsbekwaamheid?
‘Om ons iets of iemand toe te kunnen eigenen moeten we hun handelingsbekwaamheid afnemen. Zoals we dat bij zwarte mensen en vrouwen hebben gedaan, zo doen we dat nog steeds bij dieren. Maar het is helemaal niet zo moeilijk om te laten zien dat dieren handelingsbekwaam zijn. Toch kijken we nog vaak niet zo naar dieren. En we vinden het nog veel moeilijker om zo te kijken naar bijvoorbeeld bomen. Dus dat is een van de vragen van onze zoektocht: hoe geven we het niet-menselijke leven zijn handelingsbekwaamheid terug? Hoe kunnen we daar beelden en taal aan geven - en grappen over maken!’
Jullie hebben het afgelopen seizoen zogenaamde ‘onderzoeksavonden’ gemaakt: in het theater probeerden jullie uit hoe dit verhaal te vertellen. Ik was er aanwezig bij eentje en vond het eigenlijk al geweldig ‘af’. Fantastisch op de planken gebracht ook door Romana Vrede! Waarom eerst onderzoeksavonden?
‘We wilden op die avonden uitproberen hoe ver we nou waren met ons verhaal. Immers, deze thema’s, daar kun je een hoop gedoe omheen verwachten. Dat gebeurde na die avonden ook. Een Telegraaf-columnist die de voorstelling niet had gezien, maar wel de aankondiging had gelezen, vond het nodig om de hele voorstelling belachelijk te maken. Schreef dat wij kolonialisme de schuld willen geven van alles, en dat ook nog voor twee ton subsidie. De drek die we vervolgens over ons heen kregen… Daar zijn we nu over aan het nadenken. Wat moeten we daarmee? Je moet er in elk geval op voorbereid zijn als je zo’n verhaal gaat vertellen. Daar zit voor ons dus wel een vraag: hoe vertellen we dit verhaal zo dat mensen niet onmiddellijk in de weerstand schieten, maar dat ze bereid zijn om te luisteren?
Er zijn zoveel manieren van omgaan met weerstand die je verwacht. Een briljant voorbeeld vind ik de Efteling-burger. Bij de Efteling - maar ook bij de Formule 1 en bij de tankstations van Shell - hebben ze een truc uitgehaald: hun vleesburger bestaat tegenwoordig voor 70 of 75 procent uit algen, waardoor de vleesconsumptie met driekwart daalt. Maar dat hebben ze tegen niemand gezegd, omdat veel mensen vlees willen eten. Ze hadden wel een onderzoek gedaan en consumenten gaven aan dat ze deze burger lekkerder vonden dan de vorige. Maar toen mensen ontdekten dat er veel minder vlees in zit, werden ze wóest. Zoiets zet me aan het denken. Is dat hoe wij het ook zouden moeten doen? Moeten we de woorden kolonialisme en klimaat niet laten vallen, maar bezoekers via anekdotes stap voor stap meenemen tot ze zelf gaan zien: hé, al die vormen van uitbuiting, dat gaat eigenlijk allemaal over hetzelfde. Of moeten we juist wel dat discours lenen, de bekende woorden gebruiken, met het risico op semantische discussies… en daarmee open zijn over ons verlangen om die twee verhalen met elkaar te verbinden, omdat we dat zo ontzettend belangrijk vinden.’
Jullie voorstelling is ook een onderzoek naar taal.
‘Zeker. We hebben heel veel gesprekken over taal. En over de rol van humor. Humor is niet alleen een manier om iets lichter te maken, maar ook om het in het hier en nu te brengen. Ik heb dat nog maar eens gemerkt bij mijn stand-up voorstelling Een beetje naar de mensen toe. Ook dat was in wezen een politieke voorstelling, maar ik heb geprobeerd de thema’s door humor en anekdotes dichtbij te brengen, persoonlijk te maken. Het sterke van anekdotes is: daar kun je moeilijk omheen. Show, don’t tell - zoiets is het met anekdotes. Het ingewikkelde bij Een groter verhaal lijkt alleen te zijn dat je pas echt goed grappen over iets kunt maken, als het een beetje gemeengoed is geworden. Dit verhaal moeten we eerst nog uitleggen. En uitleggen - dat hebben we tijdens die onderzoeksavonden wel gedaan, maar we vragen ons eigenlijk af of we daar meer bij weg kunnen blijven.
We merken als Bureau Vergezicht dat mensen afhaken als het over klimaat of kolonialisme gaat. Maar we moeten mensen erbij houden! We kunnen ons nu niet veroorloven om weg te kijken! Wij moeten als theatermakers en verhalenvertellers dus de juiste toon zien te vinden om dat verhaal zo te vertellen dat we de ernst niet wegpoetsen, maar jou het gevoel geven dat we náást je gaan zitten. Dat je denkt: met deze mensen wil ik er wel over nadenken, want zij weten het ook niet, maar ze maken zich zorgen. En ze zijn ontzettend grappig, maar hun hart bloedt. Zoiets. Dat het ongemakkelijk is én oké, omdat je niet alleen bent. Wat we willen zeggen, ís in wezen natuurlijk al gezegd. Maar het gaat ons erom dat we een toon vinden waar je je óók aan kunt warmen. Zodat mensen het vol kunnen houden om zich te verbinden met deze onderwerpen.
Dat vind ik het mooie van theater: het is een van de weinige plekken waar mensen een - tijdelijke - gemeenschap vormen: even samen naar hetzelfde luisteren, hetzelfde beleven. In plaats van dat we allemaal achter ons eigen scherm op ons eigen moment geconfronteerd worden met een verhaal. Want zelfs als we hetzelfde verhaal op onze ‘feed’ voorbij zien komen, uit dezelfde ‘bubbel’, dan nóg maakt die ongelijktijdigheid het ontzettend moeilijk om iets van politiek momentum te creëren. Die ongelijktijdigheid maakt politiek zo eenzaam. Zoveel mensen die zich boos of bezorgd maken, doen dat in hun eentje.
Een tijdje dacht ik: hoe kan theater ooit tegen Netflix op? Theaters hebben het best heel moeilijk nu. Dan zie ik ze staan: grote gebouwen, midden in onze steden. En dan denk ik: ik ben blij dat ze van steen zijn en niet van tentdoek. Ze verdwijnen niet zomaar en ze zijn juist nu nodig. Er is onderzoek dat laat zien dat als mensen samen luisteren naar muziek, dat hun organen op een zeker moment dan met dezelfde frequentie gaan vibreren. Dat is theater. Dat we even niet alleen zijn.’
Wie wil jij bij elkaar brengen? Sta je straks niet te preken voor eigen parochie?
‘Daar ben ik niet bang voor. Sterker, ik denk dat iedereen die iets gaat vertellen een parochie nodig heeft. De parochie is immers gewoon de consequentie van de preek. Die parochie moet dus vooral komen! Dat grap ik in Een stukje naar de mensen toe ook: Jezus had ook éérst een verhaal en toen pas waren er mensen die op dat verhaal afkwamen. Preken voor eigen parochie is op zichzelf al zinvol. Zoals gezegd: omdat mensen zich dan hopelijk wat minder alleen voelen. Met deze voorstelling proberen we bovendien verschillende “parochies” te verbinden: die rond klimaat en die rond kolonialisme. Dat ze van elkaar gaan zien - hé, onze verhalen horen eigenlijk bij elkaar. En wie weet lukt het met de juiste toon om een paar heel andere parochianen ook te verleiden om te komen luisteren.’
Jullie kiezen dus bewust een andere toon dan de activistische toon van op de barricaden?
‘Mijn ervaring is dat de toon op bijvoorbeeld de A12 ook lichtheid en humor kan hebben, hoor. Ik denk eigenlijk: we hebben elkaar allemaal heel erg nodig. Als er niemand op de barricaden gaat staan, hebben onderhandelaars geen ruimte om in te bewegen. Ik hoop dat we elkaar kunnen zien als onderdeel van één systeem: mensen met verschillende rollen, en die rollen mogen wisselen. Ik schipper zelf ook tussen die rollen. Maar laten we vooral solidair met elkaar blijven!’
Ergens doet jouw verhaal over theaters me ook denken aan kerken. Dat zijn óók plekken waar mensen samen komen, samen naar een verhaal luisteren, muziek beleven. En waar we een Groter Verhaal proberen te vertellen, denken we zelf in elk geval…
‘Haha, dat snap ik wel. Ik denk dat kerken en theaters dezelfde voorouders hebben. En ook voor kerken geldt dat ik blij ben dat ze van steen zijn. Dat ze blijven staan. Al worden het soms boekwinkels natuurlijk… Maar: ja! Ze zijn zeker familie van elkaar.’
Speeldata van Een groter verhaal, met Romana Vrede: eind oktober tot en met half december 2026, zie: www.bureauvergezicht/voorstelling/een-groter-verhaal
Speeldata van Een stukje naar de mensen toe, solovoorstelling van Rebekka de Wit: maart-april 2027, zie: www.bureauvergezicht/voorstelling/een-stukje-naar-de-mensen-toe
Rebekka de Wit is naast theatermaker ook columnist voor De Standaard en De Groene Amsterdammer, en schreef de roman We komen nog één wonder tekort (2015) en de essaybundel Afhankelijkheidsverklaring (2019).