Op 1 november werd in de Rode Hoed te Amsterdam de Huub Oosterhuis-lezing uitgesproken door Ad van Nieuwpoort. Daarna volgde de première van het oratorium 'Lied van een nieuwe aarde': een muzikaal spektakelstuk met gedichten van Huub Oosterhuis, aangevuld met teksten van Elias Canetti en Natalia Ginzburg, samengesteld en bewerkt door Kees Kok. Alles op muziek gezet door Tom Löwenthal. Lezing en oratorium dagen de luisteraar uit met dezelfde vraag: wat bedoelen we nou eigenlijk als we het hebben over 'god'? Hieronder de tekst zoals die door Ad van Nieuwpoort werd uitgesproken.
Daar zitten ze dan. 'In de vergaderzaal der goden', om met Huub Oosterhuis te spreken. Psalm 82 voor nu. In de gouden balzaal zitten de opper-autocratische goden van de macht. De een kleurt oranje, de ander geel, de derde kijkt strak voor zich uit en de vierde heeft een bebloede davidster op zijn revers. Ze worden vergezeld door de goden die hun mensen zand in de ogen strooien met hun fundamentalistische geweldsevangelie. En om hen heen zitten de goden van Big Tech, de Crypto-god en de god van het Neo-Liberale Spel om de Winst. Af en toe gooien ze een loze belofte naar hun slaven beneden op aarde, die daar dan weer een tijdje zoet mee zijn. Afgesproken is dat de god van Big Tech de touwtjes waaraan die slaven hangen, stevig in handen houdt. Hun cloudlords hebben namelijk een onbeperkt reservoir aan moderne slaven die dénken dat ze bediend worden, maar feitelijk al hun goud offeren, om met Roxane van Iperen te spreken. Met onzichtbare lijnen naar de cloud worden hun hersenen leeggetapt. De autocratische goden zien het met een glimlach aan.
Deze goden bestaan. Daar is geen twijfel over. Onder hun macht worden de kleine mensen op de aarde vertrapt zonder dat ze het in gaten hebben.
Maar dan is daar een ander. Hij die ook zegt god te zijn maar zeker niet past in dit rijtje. 'God' is ook eigenlijk niet de juiste aanduiding voor deze verschijning. Want hij is totaal anders. Hij wordt door de goden gezien als een ondermijnende bedreiging. Hij klopt op de deur van hun gouden balzaal en roept ze allemaal ter verantwoording: 'Hoe lang nog het recht geloochend, Ploert en Schender begunstigd? Doe recht de minste, het weeskind, de arme, beroofde, vernederde. Red hen die geen verweer hebben, doe hen ontkomen aan de hand van de schenders'.
Die vreemde god met die vier geheimzinnige medeklinkers JHWH, die heeft namelijk iets gezien wat die goden niet willen zien. Hij heeft zijn blik niet naar omhoog, maar naar beneden. In zijn letters draagt hij het geheim van menselijkheid dat iedereen lijkt te vergeten. Hij bestaat niet, zoals die goden in hun balzaal, hij gebeurt. Zijn plek is niet die hemelhoge wolk daarboven, zijn plek is de afgrond waar de mensen creperen en schreeuwen om hulp: 'Die zegt god te zijn, laat hij tevoorschijn komen. Wat hebben wij aan een naam alleen, laat hij opstaan dat wij hem zien...'
Bestaat God - wat denk je? Ja, wat denk ik, mooie verhalen, het zou mooi zijn als het allemaal waar was. God? Ik denk van niet, maar ik wou van wel, soms voel ik van wel - maar je weet het niet - een almachtige? Nooit iets van gemerkt.
Zo schrijft Huub. En hij vervolgt:
De bijbel heeft het over goden die bestaan. Goden zijn machten over mensen. Goden zijn mensen die het bestaan andere mensen met zwepen te slaan. De ijzeren wet dat 'wie zwak is sterft, wie sterk is overleeft' is een god. Het recht van de sterkste is een god en dat het in de wereld nog altijd zo gesteld is dat weinigen leven ten koste van velen - dat is de macht van een hele goden- en godinnenclan. Al die onwrikbare wetmatigheden-dwangmatigheden worden gepersonifieerd in goden. Ze heten in de bijbel 'bezitters, gebieder, heer', maar ze worden uitgescholden voor niksers, leeghoofden, nietswaardigen. Ze leiden tot niets, beter gezegd: tot vernieling van aarde, vernietiging van mensheid. Maar dat ze bestaan is zo zeker als de ellende van de onderdrukten zichtbaar is.
In een van onze laatste gesprekken vroeg ik Huub naar die JHWH-god. En meteen kwam dat gedicht op tafel wat we zo ook horen zullen: 'Ben van religie niet'. Het is een van mijn favoriete gedichten geworden. Omdat daar wordt verwoord waar het om gaat. En waarover in de christelijke en ook de Joodse wereld zoveel verwarring is.
'In de bijbel', zo zei Huub, ' gaat het om een heel ander soort god dan de gangbaar religieuze. In de bijbel is god de stem die tot mij spreekt over uittocht uit benauwdheid. Bevrijder-god wordt hij in de bijbel genoemd. Geloof in die god betekent een afscheid van die oude religieuze god. Religie, daar kom je vandaan, dat zit in je bloed. 'De mens is een religieus wezen' wordt gezegd. Maar daar moet je vanaf, daar moet je vrij van worden.' Bert ter Schegget sprak niet voor niets over uittocht uit het huis van de religie. Dat is de uittocht die ons verlost van de dwangbuizen van slavendrijvers.
'De kleine Mensengod!' Ik hoor het Huub nog roepen in de tuin van onze gezamenlijke uitgever aan de Herengracht. Het was 1996 en ik had mijn eerste pennenvrucht ten doop gehouden: De kleine Mensengod. De bijbel kan ons nog meer vertellen. Met een glas wijn in de hand liep Huub mij tegemoet om mij te feliciteren: 'Kom jij maar snel met je boek naar de Rode Hoed, want dit hebben we nodig'. Er ontstond een verwantschap rondom dit kritische godsbegrip, dat maar weinig religieuzen aandurven. Een verwantschap tegen de klippen van tal van misverstanden op. Want wie wil niet lekker wegdromen bij dat hogere, dat transcendente? Wie verlangt er niet naar om even weg te kunnen mediteren naar hemelse streken om die kapotte aarde te kunnen vergeten? Wie verlangt niet naar de grote religieuze escape en verklaring van de raadsels op aarde? We zijn er allemaal mee behept. En toch. Die bijbel, dat weerzinwekkende boek, weet: zo word je geen vrij mens. Religie is niet goed voor menselijkheid. Het maakt kapot wat je lief is.
Maar wat dan? 'Nou', zo schrijft Huub,
ik heb een boek, of liever: een boek heeft mij. Dat boek met zijn woorden over recht en vrede en alle dingen nieuw. En ik herken ze in elkaar, dat boek in de mensen, die mensen in dat boek. Ik herken dezelfde grote liefde. Ik zie en lees hetzelfde geloof, dezelfde intuïtie: dat wij niet voor de afgrond zijn gemaakt...
Dat dus. En dat zit allemaal in die geheimzinnige formule JHWH, Ik zal er zijn. Die naam die prikt door al die leugenachtige praat van goden heen. Die naam die ontmaskert al die gemakzuchtige cadeautjes waarmee de digitale zombies zoet worden gehouden. Die naam wil zijn mensen bevrijden uit de mentale kolonisatie die ons van ons menszijn berooft.
Maar bovenal: in die naam wordt bewaard wat waar is en oprecht. Precies wat de goden ons willen doen vergeten. Opdat we maar niet in opstand komen. En daarom moeten we die naam zingen en oefenen. Als tegengif tegen de afgrond. Als vrolijk alternatief voor het cynisme dat om zich heen slaat deze dagen. Als opstandings-brandstof voor wie moe en moedeloos worden. Nee, geen escape, maar een verhaal dat ons met beide benen op deze aarde zet en onze ogen opent voor wat misgaat en voor die onmogelijke mogelijkheid: deze wereld anders.
'Het lijkt dus noodzakelijk', schrijft Huub, 'steeds opnieuw de Naam van de bijbelse god uit te leggen en met elkaar af te spreken dat wij met 'god' bedoelen: die ene die het kermen van de mensen hoort en niet harden kan dat zij vernederde, geknechte, verlaten en verachte wezens zijn, en daarom iemand, jou, mij, stuurt naar hen toe, om ze te bevrijden uit de macht van hun onderdrukkers...'
Ben van religie niet.
Heb wel de stem gehoord
van het bevrijdingsvisioen
dat gloedrood in de Joodse bijbel
staat geschreven:
'gelijke rechten op geluk
de zachte krachten van de solidariteit
genade brood voor ieder mens
uittocht uit alle wrede slimme
martelende slavernijsystemen
ooit en steeds opnieuw bedacht'.
De stem die dit
tot mijn geweten spreekt
is god voor mij.
En als ik zing uitzinnig ingetogen
in eigen zielentaal, of Bach aanhoor:
't gaat over dit, die god alleen
en verder godsdienst geen.
(uit: Die wij denken)