Het is 1944. Plaats van handeling Bergen-Belsen. Een platgebrand stuk grond met een aantal in rechte rijen opgetrokken barakken, bouwvallig, tochtend, lekkend. Een plek waarin het geweten teruggebracht lijkt tot een lachwekkend verzinsel, waar nog geen grasspriet groeit en wreedheid welig tiert, waar mensen tot onmensen zijn verklaard. Een plek waar begrippen als fatsoen en ethiek hun gangbare betekenis hebben verloren.

Nieuwe gedragscodes

In zo’n door chaos geregeerd bestaan doen nieuwe gedragscodes hun intrede. Bij daders maar ook bij de slachtoffers. Codes bepaald door ontbering en hiërarchie. En waar hiërarchie is, is macht en waar macht is ontstaan privileges en waar privileges worden geboren is solidariteit al snel ver te zoeken.

Precies daar, op die plek, te midden van totale rechteloosheid, richten kampbewoners een rechtbank op. In ‘Onder de linde’, een van de zeven opstellen over Bergen-Belsen die Abel Herzberg (1893-1989) schreef voor zijn bundel Amor fati, lezen we:

De oprichting en organisatie der rechtbank gebeurde intern en in het geheim, omdat wij niet wisten, hoe de Duitsers op deze gedachte zouden reageren. Want rechtspraak door rechters is in wezen in strijd met hun rechtsopvatting en wat zij in dit opzicht in de wereld praktisch hebben toegelaten, was een concessie aan het verleden en aan het nooit geheel zwijgende geweten, dat met een vorm uit het verleden, bij wijze van fopspeen, werd afgescheept.

Tijdens zittingen die aanvankelijk in de nacht plaatsvinden - uit angst voor ontdekking door de Duitsers - spreken rechters in lompen en met hongerige magen zich uit over de kruimels die gestolen zijn door medegevangenen. Om te gedenken dat, waar je ook bent, met wie en onder welke omstandigheden ook - aldus Abel Herzberg - het altijd gaat om de eerste zin uit de menselijke beschaving: de erkenning dat er iets is dat mag en iets dat niet mag.

‘Overdenk dat dit geweest is’

Het is 1946. Primo Levi (1919-1987), overlevende van Auschwitz, schrijft zijn gedicht met de titel ‘Sjemà’.

Jullie die veilig leven
In je behaaglijke huizen,
Jullie die bij thuiskomst ’s avonds
Warm eten en bevriende gezichten vinden:
Bedenk of dit een man is
Die zwoegt in het slijk
Die geen vrede kent
Die om een half brood vecht
Die sterft door een ja of een nee.
Bedenk of dit een vrouw is,
Zonder haren en zonder naam
Zonder nog de kracht om te herinneren
De ogen leeg en haar schoot koud
Als een kikker in de winter
Overdenk dat dit geweest is:
Ik gebied jullie deze woorden.
Beitel ze in je hart
Als je thuis bent als je over straat gaat,
Bij het slapengaan bij het opstaan:
Herhaal ze tot je kinderen.
Of je huis moge vergaan,
Ziekte je kwellen,
Je eigen nageslacht zich van je afkeren.

Sjema Jisraeel is een tekst uit het bijbelboek Deuteronomium die functioneert als Joods ochtend- en avondgebed. De tekst luidt als volgt (Deuteronomium 6:4-8):

Hoor Israël!
JHWH is onze God, JHWH is een.
Jij zult liefhebben JHWH, jouw God,
met heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht.
Zij zullen op je hart zijn,
deze woorden die ik jou opdraag heden.
Jij zult ze inprenten in je kinderen en ze reciteren
thuis en onderweg,
als je slapen gaat en als je opstaat.
Bind ze als een teken aan je hand,
draag ze als een snoer vlak op je ogen.

In zijn gedicht schetst Levi de man die zwoegt in het slijk en om een half brood vecht, de vrouw zonder naam en zonder haren, de ogen leeg en haar schoot koud, zonder - saillant detail - nog de kracht om te herinneren. Dan schrijft hij, in het spoor van het Sjema in Deuteronomium: beitel ze in je hart, deze woorden, bij het slapen gaan, bij het opstaan, herhaal ze tot je kinderen. Vervolgens neemt hij een bittere afslag: of het huis moge vergaan, ziekte je kwellen, je eigen nageslacht zich van je afkeren.

De boodschap liegt er niet om. Niet God moet herinnerd worden - voor Levi was het bestaan van een God na Auschwitz ondenkbaar - maar het kwaad dat zich heeft afgespeeld in de kampen. Doe je dat niet, dan zal het leven zich tegen je keren.

Verschillende mensbeelden

De rechtbank van Abel Herzberg en het gedicht van Primo Levi. Ze staan voor de verschillende mensbeelden van twee mannen die het concentratiekamp overleefden. Voor Levi werden de jaren in het kamp gedicteerd door de ijzeren wet van overleven, waardoor mensen gereduceerd werden tot vage schimmen van zichzelf, leeg en gebroken. Voor keuzes, laat staan morele keuzes, was geen ruimte.

Hiertegenover laat Abel Herzberg een ander geluid horen. Hij gelooft in wilsvrijheid. Zelfs in een concentratiekamp heeft iedereen de keuze tussen twee wegen. Tussen - zo schrijft hij - ‘het zoeken van zichzelf en het zoeken van de zaak die hij dienen wil’. Hij heeft het gezien en ervaren: de humaniteit in de kampen. De stelling dat met het wegvallen van de normale maatschappelijke conventies, waardoor moraal, ethiek en rechtvaardigheidsgevoel gedragen worden, alleen maar chaotisch egoïsme over zou blijven, krijgt van hem niet het laatste woord.

Herdenken

Deze andere beleving en visie drukken hun stempel op de betekenis die beiden geven aan herdenken. Voor Abel Herzberg is herdenken van het verleden verbonden met het doen van gerechtigheid in het heden. We moeten niet alleen de doden memoreren, maar ook morele lessen trekken uit het kwaad dat tot hun dood leidde. Herdenken is rekenschap afleggen. Herdenken is een ethische opdracht. Herdenken is een aansporing tot rechtvaardig handelen en een oproep tot morele weerbaarheid.

Voor Primo Levi betekent herdenken ook gerechtigheid, maar dan specifiek voor degenen die tot nummers zijn gereduceerd, die naamloos zijn weggevaagd uit de tijd. Hij wil hun een gezicht en een verhaal geven. Dat doet hij door zo nauwkeurig mogelijk op te tekenen wat hij heeft gezien. Weinig solidariteit. Veel chaotisch egoïsme. Veel ontmenselijking. Hij roept op tot waakzaamheid want broos is ons laagje beschaving. We kunnen zo weer terugvallen in barbarij. ‘Het is gebeurd en het kan weer gebeuren.’ 

Nakba

Het is 2025. Samen met een fotograaf ben ik op reportage op de Westelijke Jordaanoever. Zaed, een Palestijnse inwoner van Betlehem, leidt ons rond in het vluchtelingenkamp waar hij woont. Hij is psycholoog, ergens halverwege de twintig, maar hij vertelt over de Nakba, de ramp in 1948 waarbij honderdduizenden Palestijnen uit hun dorpen werden verdreven, alsof het gisteren was. In zekere zin is dat ook zo. De verhalen van hun voorouders gaan met zijn generatie mee. Hij vertelt hoe zijn overgrootvader tegen zijn echtgenote zei, toen het Israëlische leger kwam: je hoeft het vuur onder de soep niet uit te zetten, draai het maar lager, we zijn zo weer terug. Hij vertelt hoe ze alles van waarde in huis achterlieten, niet wetend dat ze nooit zouden terugkeren. Hoe, achtenzeventig jaar later, de sleutel van dat allang door Israëlische bulldozers platgewalste huis nog steeds in een kastje ligt te wachten. Om een deur open te doen die niet meer bestaat. Hij vertelt hoe de inwoners van het vluchtelingenkamp de dorpen waaruit ze verdreven zijn, naam voor naam, als een mantra kunnen reciteren. Om niet te vergeten. Hij vertelt erover alsof het vandaag heeft plaatsgevonden en dat is in zekere zin ook zo.

Opnieuw hebben bulldozers in Gaza (samen met drones, raketten en bommenwerpers) hun vernietigende werking gedaan. Opnieuw zijn de Palestijnen uit hun inmiddels platgewalste huizen verdreven. In januari 2025 begon in het noorden van de Westbank de operatie IJzeren Muur en sindsdien is het Israëlische leger bezig daar vluchtelingenkampen te verwoesten. Alsof het 1948 is, verlaten inwoners haastig en onder dwang hun huis, zonder iets van waarde mee te nemen, met alleen een sleutel op zak. Als symbool van onverzoenlijke hoop.

Opdelven

Primo Levi heeft gelijk gekregen. Het is gebeurd en het kan weer gebeuren. Het is nu aan ons om het gelijk van Abel Herzberg handen en voeten te geven. Het is aan ons om aan herdenken de actuele betekenis te verbinden zoals hij deed. Als een ethische opdracht om elkaar niet te verpulveren, tot schimmen van mensen te reduceren, maar om elkaar groot te maken, op handen te dragen, toe te zingen, op te delven zoals bedoeld. Opdelven doe je met kostbare grondstoffen of mineralen. Je graaft ze uit, onttrekt ze aan het duister, brengt hun schoonheid en rijkdom aan het licht. Als we herdenken, herinneren we onszelf eraan dat het onze roeping en bestemming is om elkaars schoonheid en rijkdom op te delven. Herdenken is daarnaast ook de ethische opdracht om het verleden als morele slijpsteen voor het heden te gebruiken. Om niet onverschillig te zijn, niet weg te kijken, niet onze schouders op te halen: wat kan ik nou helemaal doen. Als een mens in een concentratiekamp een keuze heeft, wie zijn wij dan om te zeggen dat we die niet hebben? Die hebben we, elke dag, elk uur opnieuw, en dat is wat we blijven herdenken. Hoop ik.

Om verder te lezen

Abel J. Herzberg 1993: Amor fati. De aanhankelijkheid aan het levenslot. Zeven opstellen over Bergen-Belsen. In: Verzameld werk 2. Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij B.V.

Primo Levi 1988: Op een onzeker uur. Gedichten. Vertaling Maarten Asscher en Reinier Speelman. Amsterdam: Meulenhoff.

Colet van der Ven is journalist, therapeut en lid van het liturgisch team van de Dominicus in Amsterdam.