Fati* (53 jaar) kijkt uit over de Noordzee. Ze loopt op blote voeten over het strand, haar telefoon in haar hand, muziek in haar oren. De zee brengt haar terug naar de Filipijnen, naar haar familie en vooral naar haar zoon. Zesentwintig jaar geleden liet ze alles achter zich om hem een betere toekomst te bieden. Het wijde water herinnert haar aan de duizenden kilometers tussen hier en daar, maar ook aan de verbinding die altijd blijft bestaan. ‘De Filipijnen zijn eilanden, omringd door water,’ zegt Fati. ‘Als ik naar de zee kijk, denk ik: daar ergens is mijn familie. Wanneer zal ik ze weer zien?’
Fati groeide op in een arm gezin op het platteland van de Filipijnen. Ze trouwde jong en kreeg op haar eenentwintigste een zoon. Hij werd geboren met een longziekte. Fati werkte als verpleegster in een lokaal ziekenhuis, maar verdiende niet genoeg om zijn medicijnen te bekostigen. ‘Het was een moeilijke tijd. Ik kon voor drie maanden medicijnen betalen, dan weer een maand niet,’ vertelt ze.
Ze deed haar best om de eindjes aan elkaar te knopen, maar zag hoe weinig perspectief ze haar zoon kon bieden. Toen hij zes was, nam ze een besluit dat veel migrantenouders kennen: ze verliet haar eigen leven en familie om mogelijkheden te creëren voor haar kind dat ze achterliet. ‘Het belangrijkste voor mij is mijn zoon. Ik ging naar Nederland om te zorgen dat hij later kan studeren en een goed leven kan hebben.’
Met oma naar de duinen
Via een tante reisde ze naar Den Haag en vond ze werk als verzorger van een oudere vrouw. Ze woonde bij haar in huis en noemt haar nog altijd ‘oma’. Fati kijkt met warme gevoelens terug op die tijd. ‘Ik heb echt mooie herinneringen aan oma. We aten samen, deden samen yoga en ze heeft mij mijn eerste Nederlandse woorden geleerd.’
Ook deelden ze een liefde voor de zee. Oma kon niet meer goed lopen en zat in een rolstoel, maar wilde nog zo graag de zee zien. Fati beschrijft hoe ze de zware rolstoel door de duinen van Kijkduin omhoog duwde, zodat ze samen van het uitzicht konden genieten. ‘Oma zei dat dit het beste is wat haar is overkomen. Ze dacht dat ze niet meer naar buiten kon, maar we gingen naar de duinen, naar het museum. Voor ze overleed was ze erg tevreden.’
Fati verzorgde haar meer dan een jaar, tot aan haar dood. Rond diezelfde tijd liep ook Fati’s visum af, waardoor ze ongedocumenteerd werd. Teruggaan naar de Filipijnen was geen optie. Het geld dat ze vanuit Nederland naar huis stuurde, was nodig voor haar zoon. Dus ze bleef.
Dertien kinderen
Fati vond nieuw werk als oppas, wat ze jarenlang zou blijven doen. Op een gegeven moment werkte ze voor acht gezinnen tegelijk, met in totaal dertien kinderen. De meesten kent ze vanaf hun geboorte. Ze zag ze opgroeien, ging mee naar oudergesprekken, en maakte Filipijnse loempia’s voor schoolfeestjes. ‘Ik heb familie hier, want ik heb zoveel kinderen,’ zegt ze.
De kinderen hielpen haar ondertussen Nederlands te leren. Iedere avond las ze voor. Nijntje, Jip en Janneke, maar vooral Jungle Book. ‘Het eerste boek dat ik voorlas was Jungle Book. Ik kan het niet vergeten. Het was moeilijk want ik moest ook zingen: Doebidoebidoe, doebidoebidijn, het is zo fijn om een beer te zijn.’ Ze lacht als ze eraan terugdenkt. Het boek werd iedere avond opnieuw uit de kast gehaald. Uiteindelijk was het helemaal versleten.
Soms vroegen kinderen haar dingen die ze normaal aan hun ouders zouden vragen. Een meisje dat ze al kent sinds ze een baby was, vertelde haar dat ze verkering had en vroeg of haar vriendje mee naar huis mocht. ‘Ik vraag het eerst aan jou,’ zei het meisje tegen Fati. Dat raakt haar omdat het laat zien wat voor band ze met de kinderen heeft opgebouwd. Ook de ouders vertrouwen haar. Ze geven haar de sleutels van hun huizen en weten dat ze op haar kunnen rekenen. Fati laat haar grote sleutelbos zien. ‘Dat is vertrouwen,’ zegt ze.
Voor Fati is dat belangrijk. De gezinnen waarvoor ze werkt zien haar niet als iemand zonder papieren, maar als iemand die hier leeft, zorgt en erbij hoort.
‘We zijn ongedocumenteerd, maar we zijn niet useless. We staan in de samenleving.’
De prijs van vertrekken
Terwijl Fati een tweede moeder werd voor Nederlandse kinderen, miste ze haar eigen zoon. Vooral verjaardagen waren moeilijk. Belangrijke momenten in zijn leven gingen voorbij, met duizenden kilometers oceaan tussen hen in.
Iedere maand stuurde ze geld naar huis. Haar zoon kon de medicijnen krijgen die hij nodig had, studeren en uiteindelijk een baan vinden in de IT. Als ze over hem praat, klinkt er opluchting in haar stem. Het doel waarvoor ze ooit naar Nederland kwam, was bereikt. ‘Ik ben trots dat hij gestudeerd heeft en een goede baan heeft. Hij kan nu op eigen benen staan.’
Na zijn afstuderen keerde Fati terug naar de Filipijnen. Maar thuiskomen bleek moeilijker dan ze had gedacht. Haar zoon had inmiddels zijn eigen leven. De relatie met haar man verliep slecht. Er waren dagelijks ruzies en ze voelde zich niet veilig. Bovendien was ze na achttien jaar in Nederland zelf veranderd. ‘Ik heb daar een huis, maar voelde me er niet meer thuis. Er is geen plek meer voor mij daar.’
Daar kwam bij dat ze gezondheidsproblemen kreeg. Een goede behandeling kon ze zich opnieuw moeilijk veroorloven. Na een paar jaar besloot ze terug te keren naar Nederland. Dit keer niet voor haar zoon, maar voor haarzelf.
Een eigen stem
Terug in Den Haag pakte Fati haar leven weer op en ging opnieuw voor kinderen zorgen. Vanwege haar behoefte aan medische zorg kwam ze bij het Wereldhuis terecht. Daar vond ze niet alleen hulp, maar ook een community van mensen die, net als zij, zonder verblijfspapieren leven.
Ze werd vrijwilliger in de keuken en deed mee aan workshops en bijeenkomsten waarin mensen hun verhalen deelden. Aanvankelijk was ze wat terughoudend, maar gaandeweg veranderde dat. ‘De workshops boosten mijn zelfvertrouwen. Ik wil niet meer in een hoek zitten en bang zijn. Ook als je ongedocumenteerd bent, heb je recht op je eigen persoonlijkheid, je eigen stem.’
Tijdens een workshop zat ze aan tafel met directeuren. Op een gegeven moment vroeg iemand haar wat voor werk ze deed. ‘Ik zei: ik ben oppas en schoonmaakster.’ Ik durfde het gewoon te vertellen. Er was een tijd dat ik me klein voelde, maar ik heb geleerd niet meer bang te zijn om te zeggen wie ik ben. Uiteindelijk zijn we allemaal gelijk.’
Dit is mijn tijd
Fati droomt ervan ooit een verblijfsvergunning te krijgen, zodat ze vrij naar de Filipijnen kan reizen en haar familie weer kan zien. Ze maakt zich soms zorgen over ouder worden, haar gezondheid en het ontbreken van een pensioen. Maar ze wil haar leven niet uitstellen tot alles geregeld is. Sinds haar zoon is afgestudeerd, maakt ze meer ruimte voor zichzelf. ‘Dit is mijn tijd,’ zegt ze. ‘Ik wil genieten van het leven dat ik nog heb.’
Ze vult haar vrije tijd met museumbezoek, oude kerken en kastelen bezichtigen en af en toe een concert bijwonen. Ook loopt ze elke dag een uur langs de kust. De frisse lucht geeft haar een gevoel van vrijheid. Ze denkt aan het leven dat ze hier heeft opgebouwd. En aan haar familie, aan de andere kant van de oceaan. Ze verlangt ernaar haar zoon weer te omarmen, maar ze is ook dankbaar voor waar ze nu staat. ‘Ik voel me echt thuis,’ zegt ze. ‘Ik geniet van het leven. Ik ben blij, en ik ben nog steeds hier.’
* De volledige naam van Fati is bij het Wereldhuis bekend.
Den Haag Wereldhuis is een community voor en door mensen zonder geldige verblijfspapieren. Zij kunnen er terecht voor steun en advies of om elkaar te ontmoeten. Het is een project van Stek, stichting voor stad en kerk.
Arianne Gijsenbergh werkt bij Stek als campaigner voor mensen zonder papieren. Via verhalen en ontmoetingen laat zij zien dat mensen zonder papieren in Den Haag leven en erbij horen.